Multiresistente Gram negatieve staven

MRGNS staat voor Multiresistente Gram negatieve staaf. Het zijn met name darmbacteriën (enterobacteriacae) die resistent zijn geworden voor twee belangrijke groepen antibiotica, aminoglycosiden en fluorquinelonen. Deze antibiotica worden vaak ingezet als reserve middel.

Aminoglycosiden

Aminoglyocosiden zijn antibiotica die de eiwitsynthese van bacteriën verstoren. Hierdoor zullen de bacteriën dood gaan, het is dus een bacteriociden antibiotica. Het aangrijpingspunt van aminoglycosiden is het 30S ribosoom. Aminoglycosiden die in Nederland worden gebruikt zijn onder andere gentamicine, tobramicine en amikacine. Als patiënten erg ziek zijn, bijvoorbeeld bij sepsis, wordt er vaak kortdurend een aminoglycosiden aan de therapie toegevoegd.

Fluorquinelonen

Fluorquinelonen zijn antibiotica die de DNA cyclus van bacteriën remmen. Hierdoor zullen de bacteriën dood gaan, het is dus een bacteriociden antibiotica. Het aangrijpingspunt van fluorquinelonen is topoisomerase II of IV. Fluorquinelonen die in Nederland gebruikt worden zijn ciprofloxacine, norfloxacine, moxifloxacine, levofloxacine.

BRMO Schema

Carbapenem ESBL Fluorquinelonen Aminoglycosiden
Enterobacteriacae A A B B

 

A. Resistentie voor alleen deze groep is voldoende om te spreken van een BRMO.

B. Combinatie van resistentie voor antibiotica uit tenminste twee van de aangeduide antibioticagroepen of middelen maakt deze bacterie een BRMO.

Carbapenem Amino-
glycosiden
Fluor-
quinelonen
Ceftazidim Piperacilline /Tazobactam Co-trimoxazol
Acinetobacter spp.  A  B  B
Stenotrophomonas maltophilia A
Pseudomonas aeruginosa  A/C  C  C  C  C

 

A. Resistentie voor alleen deze groep is voldoende om te spreken van een BRMO.

B. Combinatie van resistentie voor antibiotica uit tenminste twee van de aangeduide antibioticagroepen of middelen maakt deze bacterie een BRMO.

C. Combinatie van resistentie voor antibiotica uit tenminste drie van de aangeduide antibioticagroepen of middelen maakt deze bacterie een BRMO.

Note. Bij Pseudomonas aeruginosa is het afhankelijk van het resistentiemechanisme, indien een carbapenemasegen wordt aangetoond geldt een A, anders geldt een C.

Penicilline-groep Glyocopeptiden
Streptococcus pneumoiae A A
Enterococcus faecium B B

 

A. Resistentie voor alleen deze groep is voldoende om te spreken van een BRMO.

B. Combinatie van resistentie voor antibiotica uit tenminste twee van de aangeduide antibioticagroepen of middelen maakt deze bacterie een BRMO.